Een samenleving die niet meer kan stoppen

Deel

Over economie, ritme en de prijs van permanente participatie

Wij leven in een tijd waarin economische activiteit bijna vanzelfsprekend is geworden. Produceren, consumeren, investeren, groeien, optimaliseren — het vormt de achtergrondmuziek van het moderne leven. Zelfs wie kritisch staat tegenover het huidige economische systeem, merkt vaak hoe moeilijk het is zich eraan te onttrekken. Vrijwel iedereen participeert erin, direct of indirect, dagelijks en voortdurend.

Dat is op zichzelf niet vreemd. Economie behoort immers tot de meest fundamentele menselijke activiteiten. Mensen moeten eten, bouwen, handelen, samenwerken, plannen en organiseren. Geen enkele samenleving kan zonder economische dynamiek bestaan.

En toch bekruipt mij steeds vaker de vraag of er iets wezenlijks verschoven is in de verhouding tussen economie en leven.

Niet omdat economische activiteit verkeerd zou zijn, maar omdat zij in de moderne wereld steeds meer lijkt uit te groeien tot een allesomvattend systeem waarvan het steeds moeilijker wordt zich tijdelijk los te maken. Alsof de economie niet langer een onderdeel van het leven is, maar het organiserende principe van het leven zelf is geworden.

Dat roept een ongemakkelijke vraag op:

Wat gebeurt er met een samenleving
wanneer mensen niet meer werkelijk kunnen stoppen
zonder economisch kwetsbaar te worden?

Die vraag kreeg voor mij extra diepte tijdens het lezen van het werk van de econoom Clara Mattei. Zij laat overtuigend zien dat economische systemen niet alleen goederen organiseren, maar ook gedrag, verwachtingen en afhankelijkheden vormen. Haar analyse van austerity — bezuinigingspolitiek — laat zien dat schaarste vaak niet slechts een economisch probleem is, maar ook een politiek en cultureel instrument kan worden. Niet zelden wordt onzekerheid gebruikt om systemen stabiel te houden.

Vanuit een systemisch perspectief is dat buitengewoon interessant.

Want moderne samenlevingen lijken steeds sterker afhankelijk te worden van voortdurende participatie:

  • voortdurende arbeid, 
  • voortdurende consumptie, 
  • voortdurende bereikbaarheid, 
  • voortdurende groei. 

Alsof stilstand gevaarlijk geworden is.

Dat zie je op allerlei niveaus terug:

  • in de schuldcultuur, 
  • de woningmarkt, 
  • de prestatiedruk, 
  • de permanente digitale verbondenheid, 
  • en het gevoel van velen dat zij nauwelijks nog ruimte hebben om werkelijk uit het systeem te stappen. 

Zelfs rust is tegenwoordig vaak georganiseerd binnen economische logica:
vakanties moeten efficiënt worden benut, ontspanning moet “opladen”, hobby’s moeten betekenisvol zijn, vrije tijd moet productief voelen.

Misschien is één van de meest opvallende kenmerken van onze tijd wel dat wij nauwelijks nog kunnen rusten zonder schuldgevoel.

Tegen die achtergrond ben ik de oudtestamentische wetten rond sabbat, grondbezit en jubeljaar anders gaan lezen.

Lange tijd beschouwde ik die vooral als religieuze of sociale voorschriften uit een ver verleden. Maar steeds meer vraag ik mij af of daarin niet een diepe systemische wijsheid verborgen ligt.

Neem alleen al het gegeven dat grond in Israël uiteindelijk niet absoluut eigendom van mensen was.

In het Bijbelboek Leviticus klinkt steeds weer dezelfde gedachte:
het land behoort uiteindelijk aan God toe. Mensen ontvangen het in beheer, maar mogen het niet onbeperkt accumuleren of definitief aan het economische verkeer onttrekken.

Dat is opmerkelijk.

Want grond vertegenwoordigt méér dan bezit alleen. Grond betekent:

  • bestaanszekerheid, 
  • autonomie, 
  • continuïteit, 
  • verbondenheid met familie en gemeenschap. 

Wie volledig losraakt van iedere eigen bestaansbasis, wordt kwetsbaar voor structurele afhankelijkheid. Misschien begreep de Torah dat beter dan wij vaak beseffen.

Het jubeljaar is in dat opzicht ronduit revolutionair. Schulden worden kwijtgescholden, land keert terug naar families, accumulatie wordt begrensd en blijvende economische onderklassevorming wordt voorkomen.

Vanuit modern economisch denken klinkt dat inefficiënt of zelfs onrealistisch. Maar misschien probeert de Bijbelse ordening hier juist iets te beschermen dat wij grotendeels verloren zijn:
namelijk het vermogen van mensen om niet volledig opgeslokt te worden door economische dynamiek.

Daar raakt dit onderwerp aan een diepere vraag:
wat is een mens eigenlijk?

Is de mens primair:

  • producent, 
  • consument, 
  • arbeidskracht, 
  • marktdeelnemer? 

Of blijft de mens uiteindelijk méér dan zijn economische functie?

Dat verschil is niet theoretisch. Het bepaalt hoe een samenleving zichzelf organiseert.

Een systeem dat de mens hoofdzakelijk economisch interpreteert, zal bijna vanzelf neigen naar:

  • voortdurende activatie, 
  • schaalvergroting, 
  • efficiëntiedruk, 
  • en permanente participatie. 

Maar levende systemen functioneren niet door voortdurende maximale activatie.

Dat zien we zelfs in het hart.

Een hart leeft niet doordat het permanent samentrekt, maar doordat het pulseert tussen systole en diastole — tussen inspanning en ontspanning. Een hart dat alleen nog maar systole kent, sterft.

Misschien geldt dat ook voor beschavingen.

Een samenleving die geen ritme meer kent tussen:

  • arbeid en rust, 
  • productie en begrenzing, 
  • groei en herstel, 

loopt het risico zichzelf langzaam uit te putten.

Dat zie je misschien wel terug in de toenemende vermoeidheid van onze cultuur:

  • burn-out, 
  • chronische onrust, 
  • aandachtssplintering, 
  • relationele verarming, 
  • en het gevoel van velen voortdurend “aan” te moeten staan. 

Alsof de samenleving collectief moeite krijgt om nog werkelijk tot rust te komen.

Misschien is dat waarom de sabbat zo’n diepzinnige instelling is.

Niet alleen religieus,
maar ook antropologisch.

De sabbat doorbreekt de logica van voortdurende productie. Zij herinnert de mens eraan dat zijn waarde niet volledig samenvalt met zijn economische output. Zij beschermt het ritme van het leven tegen de neiging van systemen om steeds verder uit te dijen.

Misschien geldt hetzelfde voor het sabbatsjaar en het jubeljaar.

Niet omdat bezit verkeerd zou zijn. Niet omdat handel verkeerd zou zijn. Maar omdat iedere dynamiek die haar eigen begrenzing verliest uiteindelijk de neiging krijgt zichzelf absoluut te maken.

En misschien ligt daar wel één van de diepste spanningen van onze tijd.

Wij beschikken over ongekende technologische mogelijkheden, enorme productiviteit en materiële overvloed, maar tegelijk ervaren velen:

  • tijdsgebrek, 
  • rustgebrek, 
  • aandachtsschaarste, 
  • en existentiële vermoeidheid. 

Misschien omdat een samenleving uiteindelijk niet gezond blijft door voortdurende expansie alleen.

Zoals een hart niet leeft door permanente contractie, zo blijft misschien ook een cultuur alleen menswaardig wanneer zij nog weet:

  • wanneer zij moet bewegen,
    maar ook: 
  • wanneer zij moet stoppen.

Lees meer