Essay I — Dragen wat een kind nog niet dragen kan
Er zijn weinig menselijke wezens zo afhankelijk als een pasgeboren kind.
Het kan niet zelf bepalen waar het verblijft. Het kan zich niet voeden, niet beschermen tegen kou, niet weggaan wanneer iets onveilig is. Het beschikt over geen taal waarmee het kan uitleggen wat er aan de hand is. Zelfs wat zich in zijn eigen lichaam afspeelt, kan het nog maar zeer beperkt reguleren.
En toch is het kind niet passief.
Het zoekt. Het beweegt. Het huilt. Het wendt zijn hoofd af. Het ontspant wanneer iets verandert. Het reageert op een stem, een aanraking, een geur. Nog voordat het een woord kan spreken, oefent het invloed uit op de wereld om zich heen.
Misschien begint opvoeden precies daar.
Niet bij regels.
Niet bij waarden.
Niet bij uitleg.
Maar bij een merkwaardige menselijke situatie waarin de ene mens tijdelijk moet helpen dragen wat de andere nog niet zelf kan dragen.
Dat klinkt vanzelfsprekend. Misschien té vanzelfsprekend.
Want zodra we over opvoeding spreken, gaat het al snel over wat ouders zouden moeten doen. Over grenzen stellen. Over hechting. Over schermtijd. Over zelfstandigheid. Over consequent zijn. Over stimuleren en loslaten.
Maar onder al die vragen ligt een eerdere vraag die zelden gesteld wordt:
Wat gebeurt er eigenlijk wanneer een mens voor zijn voortbestaan zo diep van een ander afhankelijk is?
Een asymmetrie die niemand heeft bedacht
De eerste verhouding tussen ouder en kind is niet gelijk.
Dat is geen culturele keuze en ook geen pedagogisch systeem. Zij ligt besloten in de toestand waarin een kind ter wereld komt.
De volwassene kan meer.
Hij kan voedsel vinden, gevaar herkennen, een temperatuur regelen, een omgeving organiseren. Hij beschikt over taal, geheugen en ervaring. Hij kan soms al voorzien wat voor het kind pas als gebeurtenis zal verschijnen.
Daaruit volgt een onvermijdelijke asymmetrie.
Maar asymmetrie is iets anders dan eenrichtingsverkeer.
Een baby die ’s nachts huilt, verandert ook de werkelijkheid van zijn ouders. Slaap wordt onderbroken. Plannen worden aangepast. Aandacht verschuift. Ouders leren geluiden onderscheiden die voor een buitenstaander allemaal ongeveer hetzelfde klinken. Ze proberen te begrijpen wat er aan de hand is en ontdekken geregeld dat hun eerste interpretatie niet klopte.
Honger?
Vermoeidheid?
Pijn?
Nabijheid?
Overprikkeling?
Wie ooit voor een jong kind heeft gezorgd, weet hoeveel opvoeding in het begin bestaat uit handelen zonder het precies te weten.
Je kijkt.
Je interpreteert.
Je probeert iets.
En vervolgens vertelt de reactie van het kind of je misschien in de goede richting zat.
Daarmee blijkt de oorspronkelijke afhankelijkheid iets anders voort te brengen dan alleen zorg.
Er ontstaat een kleine kringloop:
het kind signaleert,
de ouder antwoordt,
het kind reageert opnieuw,
de ouder stelt zijn handelen bij.
Nog voordat er gesproken wordt, is er al een vorm van dialoog.
Misschien begint zelfregulatie niet in het zelf
We spreken tegenwoordig veel over zelfregulatie.
Een kind moet uiteindelijk leren omgaan met spanning, frustratie, vermoeidheid, uitgestelde behoefte en emotie. Dat lijkt vanzelfsprekend een vermogen van het individu.
Maar hoe ontstaat zo’n vermogen?
Wie naar het begin kijkt, ziet iets merkwaardigs.
Veel van wat later als zelfregulatie verschijnt, wordt aanvankelijk mede tussen mensen gedragen.
Een kind raakt ontregeld. Een ouder neemt het op, verlaagt de prikkels, spreekt rustig, wiegt, wacht. Niet iedere poging werkt. Soms neemt de spanning juist toe. Maar in talloze herhalingen ontstaat een proces waarin de regulerende capaciteit niet volledig bij het kind en evenmin volledig bij de ouder ligt.
Zij bevindt zich gedeeltelijk in hun samenspel.
Ontwikkelingsonderzoek naar gehechtheid en co-regulatie heeft deze dimensie steeds nauwkeuriger zichtbaar gemaakt. Een vertrouwde verzorger kan voor het jonge kind zowel een plaats van herstel als een basis voor latere exploratie worden. Niet omdat die ouder ieder signaal perfect begrijpt, maar doordat voldoende herhaalde responsiviteit geleidelijk een patroon kan vormen waarin bereikbaarheid verwachtbaar wordt.
Dat is een opvallende gedachte.
Misschien leert een kind zichzelf niet dragen doordat anderen hem zo snel mogelijk leren dat alleen te doen.
Misschien begint dat vermogen juist doordat het een tijdlang met iemand anders gedragen wordt.
Het gevaar van een te mooie theorie
Daarmee ligt onmiddellijk een verleiding op de loer.
We zouden kunnen concluderen dat goede ouders vooral veel moeten dragen, nabij moeten zijn en iedere spanning zorgvuldig moeten helpen reguleren.
Maar levende ontwikkeling laat zich zelden zo eenvoudig samenvatten.
Want precies wat op het ene moment noodzakelijk is, kan op een ander moment ontwikkeling gaan hinderen.
Een baby die niet zelfstandig kan eten, moet gevoed worden.
Een kind dat zelf een lepel wil vasthouden, moet ook mogen morsen.
Een peuter die valt, heeft soms een arm nodig.
Maar wie ieder struikelen voorkomt, ontneemt ook ervaringen waaruit evenwicht ontstaat.
Het probleem ligt dus niet alleen in hoeveel een ouder draagt.
De moeilijker vraag is:
Wanneer moet de manier van dragen veranderen?
Hier verschijnt een eigenschap van opvoeden die gemakkelijk wordt onderschat: tijd.
Dezelfde handeling kan op verschillende momenten een andere betekenis krijgen.
Overnemen kan eerst zorg zijn.
Later ondersteuning.
Nog later bemoeienis.
Niet omdat de handeling zelf veranderd is, maar omdat de mens op wie zij gericht is veranderd is.
Goed genoeg
De Britse kinderarts en psychoanalyticus Donald Winnicott gebruikte ooit de beroemd geworden gedachte van de good-enough mother.
Die uitdrukking wordt soms gelezen alsof ouders zich geen zorgen hoeven te maken wanneer zij maar redelijk hun best doen.
Maar er ligt een diepere gedachte onder.
De omgeving van het jonge kind moet zich aanvankelijk sterk aanpassen aan wat het kind nog niet zelf kan verdragen. Maar zij moet dat niet voor altijd blijven doen. Naarmate het kind meer aankan, kan de omgeving ook minder perfect aansluiten.
Er ontstaat ruimte voor wachten, voor verschil en voor kleine frustratie. Het kind ontdekt dat de wereld niet onmiddellijk meebeweegt met iedere behoefte.
Juist daarin kan een nieuw vermogen groeien.
De paradox is opvallend:
goed dragen bevat de mogelijkheid om minder te gaan dragen.
Misschien geldt dat voor veel meer aspecten van opvoeden.
Wat eerst uit liefde wordt overgenomen, moet later uit diezelfde liefde soms worden teruggegeven.
Wat Winnicott vanuit zijn klinische ervaring probeerde te beschrijven, vertoont een opmerkelijke verwantschap met patronen die later in andere theoretische kaders zichtbaar werden in onderzoek naar gehechtheid, co-regulatie en exploratie.
De verschillende benaderingen vallen niet samen. Maar zij maken wel een vergelijkbaar patroon zichtbaar: ondersteuning door anderen en groeiende eigen capaciteit hoeven geen tegenpolen te zijn. Juist hun veranderende verhouding lijkt van belang.
Maar wie bepaalt wanneer?
Daar ligt natuurlijk het moeilijke deel.
Er bestaat geen klok waarop zichtbaar wordt:
vanaf vandaag kan dit kind dit zelf.
Kinderen ontwikkelen niet allemaal in hetzelfde tempo. En zelfs binnen één kind lopen verschillende vermogens niet gelijk op.
Een twaalfjarige kan verbaal buitengewoon zelfstandig zijn en emotioneel nog veel ondersteuning nodig hebben.
Een zestienjarige kan technisch uitstekend zelfstandig reizen en tegelijk gevolgen van bepaalde keuzes nog moeilijk overzien.
Een jongere kan een zeer eigen mening hebben zonder reeds dezelfde verantwoordelijkheid te kunnen dragen als een volwassene.
Daarom is leeftijd alleen nooit voldoende.
Opvoeden vraagt voortdurende waarneming.
Niet alleen:
Wat hoort een kind van deze leeftijd te kunnen?
Maar ook:
Wat kan dit kind hier en nu werkelijk dragen?
En misschien even belangrijk:
Wat draag ik nog voor hem omdat hij dat nodig heeft — en wat draag ik omdat ík het moeilijk vind het los te laten?
Op dat moment verandert de waarneming van richting.
Wie werkelijk probeert te onderscheiden wat een kind nog niet kan dragen en wat hij zelf nog moeilijk kan loslaten, kan niet alleen naar het kind blijven kijken. Ook de opvoeder verschijnt in beeld: zijn verwachtingen, zijn angsten, zijn behoeften en zijn eigen geschiedenis.
De vraag naar het kind wordt daarmee onvermijdelijk ook een vraag naar degene die opvoedt.
Het kind voedt ook de opvoeder op
Wie een kind grootbrengt, ontdekt daardoor niet alleen wie het kind is.
Hij ontdekt ook zichzelf.
Zijn ongeduld, zijn behoefte aan controle en zijn angst dat het misgaat. Maar ook zijn verlangen nodig te zijn, zijn trots wanneer iets lukt en misschien zijn teleurstelling wanneer een kind een andere richting kiest dan gehoopt.
Opvoeden is daarom merkwaardig wederkerig.
Niet wederkerig in verantwoordelijkheid — een baby draagt niet dezelfde verantwoordelijkheid als zijn ouder.
Maar wel wederkerig in invloed.
Het kind wordt gevormd in de relatie.
En de ouder eveneens.
Misschien is dat één van de redenen waarom opvoeden zo weinig op een techniek lijkt. Een techniek veronderstelt dat degene die haar uitvoert relatief buiten het proces kan blijven staan.
Maar een ouder staat nooit buiten de opvoedingsrelatie.
Hij maakt er deel van uit.
Zijn reactie verandert het kind.
De reactie van het kind verandert hem.
En wat gisteren werkte, hoeft morgen niet meer te werken.
Waarom zelfstandigheid zo vanzelfsprekend klinkt
Toch vertellen we het verhaal van opgroeien vaak anders.
Een kind wordt geboren in afhankelijkheid en groeit, zo zeggen we gemakkelijk, naar zelfstandigheid. De richting lijkt duidelijk: steeds meer zelf kunnen, zelf kiezen, zelf beslissen en uiteindelijk op eigen benen staan.
Dat beeld heeft een geschiedenis.
In de moderne westerse cultuur kreeg de zelfstandige persoon steeds meer gewicht. Dat had goede redenen. De groeiende waardering voor individuele vrijheid bood een krachtig tegenwicht tegen de gedachte dat traditie, gezag of maatschappelijke positie zonder meer mochten bepalen hoe iemand behoorde te leven.
Zelfbeschikking werd daarmee een belangrijke menselijke verworvenheid.
Maar een verworvenheid kan ongemerkt ook een bril worden.
Wanneer autonomie steeds sterker het beeld van volwassenheid gaat bepalen, kan afhankelijkheid gemakkelijk klinken als iets wat vooral overwonnen moet worden. Dan wordt ontwikkeling bijna vanzelf voorgesteld als een beweging:
van afhankelijk naar onafhankelijk,
van gedragen worden naar zelf dragen,
van verbondenheid naar zelfstandigheid.
Maar beschrijft dat werkelijk wat er gebeurt?
Juist wanneer we terugkijken naar wat we tot nu toe zagen, ontstaat twijfel.
Het vermogen om zelf te reguleren ontstond niet buiten de verhouding tot anderen, maar mede daarin.
Eigen capaciteit groeide niet doordat ondersteuning eenvoudig verdween, maar doordat de verhouding tussen ondersteuning en zelf doen veranderde.
En ook de volwassene die uiteindelijk “op eigen benen” staat, blijkt bij nader inzien helemaal niet zonder anderen te bestaan.
Van dragen naar meedragen
Ook volwassenen blijven afhankelijk.
Van andere mensen, van taal en voedselproductie, van instituties en vriendschap, en van zorg wanneer zij ziek worden. Van anderen die dingen kunnen die zij zelf niet kunnen.
Menselijke volwassenheid betekent blijkbaar niet dat afhankelijkheid verdwijnt.
Zij verandert van vorm.
Misschien geldt hetzelfde voor opvoeding.
De ontwikkeling loopt niet simpelweg van:
dragen → niet meer dragen.
Eerder van:
voor de ander dragen
naar
met de ander dragen
naar
de ander steeds meer zelf laten dragen
terwijl verbondenheid mogelijk blijft.
Dat is iets anders dan onafhankelijkheid.
Het is een veranderende verdeling van verantwoordelijkheid en handelingsruimte.
Als we opvoeden zo bekijken, ontstaat een ander beeld.
Niet de ouder die een kind volgens een ontwerp vormt.
Ook niet het kind dat vanzelf tot autonomie groeit wanneer volwassenen zich maar zo weinig mogelijk met hem bemoeien.
We zien eerder twee mensen in een relatie die vanaf het begin ongelijk zijn in capaciteit en verantwoordelijkheid, maar van wie die verhouding voortdurend verandert.
De ene draagt aanvankelijk veel.
De andere participeert vanaf het begin, maar kan nog niet alles zelf dragen.
En door de tijd verschuift iets.
Regulatie.
Ruimte.
Beslissingen.
Grenzen.
Verantwoordelijkheid.
Niet alles tegelijk.
Niet altijd in dezelfde richting.
En soms moet iets wat al meer zelfstandig gedragen werd tijdelijk opnieuw samen worden gedragen.
Misschien is dat een van de meest fundamentele kenmerken van opvoeden:
de relatie moet mee kunnen veranderen met degene die erin opgroeit.
Dat klinkt eenvoudig.
Maar het stelt hoge eisen.
Want het betekent dat liefde niet alleen vraagt om te zien wanneer een kind ons nodig heeft.
Zij vraagt uiteindelijk ook om te zien wanneer de vorm waarin wij nodig waren moet veranderen.
En misschien begint daar de moeilijkste vraag van opvoeden.
Niet:
Hoe houd ik mijn kind veilig?
Niet:
Hoe maak ik het zelfstandig?
Maar:
Hoe leer ik dragen wat vandaag nog niet door hem gedragen kan worden, zonder zo te gaan dragen dat ik morgen niet meer merk dat hij het inmiddels zelf kan?
Misschien begint opvoeden precies in die aandacht.
Bronnen en verdere verkenning
Wie de gedachtegang achter dit essay verder wil verkennen, kan onder meer terecht bij:
- Donald W. Winnicott, The Maturational Processes and the Facilitating Environment (1965). Over de wijze waarop een kind zich ontwikkelt binnen een dragende omgeving die veiligheid biedt en tegelijk ruimte laat voor groeiende zelfstandigheid.
- John Bowlby, A Secure Base: Parent-Child Attachment and Healthy Human Development (1988). Over veilige gehechtheid als basis van waaruit een kind de wereld kan verkennen en geleidelijk meer zelfstandigheid kan ontwikkelen.
- Lev Vygotsky, Mind in Society: The Development of Higher Psychological Processes (1978). Van belang voor het inzicht dat ondersteuning vruchtbaar is wanneer zij aansluit bij wat een kind nog niet zelfstandig, maar met passende hulp wél kan dragen.
De gedachte dat goed opvoeden niet betekent dat ondersteuning eenvoudigweg verdwijnt, maar dat zij van vorm verandert naarmate het kind meer zelf kan dragen, wordt in dit essay vanuit deze ontwikkelingspsychologische inzichten verder relationeel doordacht.