Essay II — Verbonden genoeg om de wereld in te gaan

Deel

Een klein kind dat leert lopen, doet iets merkwaardigs.

Het zet een paar passen van zijn ouder vandaan. Soms voorzichtig, soms alsof het plotseling ontdekt heeft dat de hele wereld op hem ligt te wachten. Het onderzoekt een stoel, een kast, een onbekend voorwerp. Het raakt verder verwijderd van degene die het tot voor kort vrijwel voortdurend nodig had.

En dan kijkt het om.

Even maar.

Is die ander er nog?

Soms is één blik genoeg. Het kind draait zich weer om en gaat verder. Soms loopt het terug, zoekt even een hand of een knie, en vertrekt daarna opnieuw.

Wie ernaar kijkt, zou twee tegengestelde bewegingen kunnen zien.

Het kind gaat weg.

En het zoekt verbinding.

Maar misschien zijn die bewegingen minder tegengesteld dan ze lijken.

Misschien kan het juist weggaan omdat er iets is waarnaar het kan terugkeren.


Een band die ruimte maakt

Bij verbondenheid denken we gemakkelijk aan nabijheid.

Aan vasthouden. Troosten. Aanwezig zijn. Elkaar kunnen bereiken.

Dat is begrijpelijk. Zeker in de eerste levensfase heeft verbondenheid een heel concrete gestalte. Het jonge kind kan de aanwezigheid van een vertrouwde ander daadwerkelijk nodig hebben om spanning te verdragen of veiligheid terug te vinden.

Maar wanneer het kind zich ontwikkelt, gebeurt er iets opmerkelijks.

Dezelfde verbondenheid die eerst vooral nabijheid vroeg, kan later juist ruimte mogelijk maken.

Het kind hoeft niet voortdurend tegen de ouder aan te zitten om met hem verbonden te zijn. Het kan een kamer verder spelen. Naar school gaan. Bij een vriendje logeren. Op de fiets verdwijnen en later thuiskomen.

De afstand neemt toe.

Maar daarmee hoeft de band niet zwakker te worden.

Misschien verandert vooral de vorm waarin die band wordt gedragen.

Dat maakt verbondenheid moeilijker te begrijpen dan nabijheid. Nabijheid kun je zien. Je kunt meten hoe ver twee mensen van elkaar verwijderd zijn.

Verbondenheid laat zich minder gemakkelijk aanwijzen.

Soms zijn twee mensen voortdurend bij elkaar en is er nauwelijks werkelijk contact.

Soms zijn zij kilometers van elkaar verwijderd en blijft de ander innerlijk nabij.

Wat is het dan precies dat blijft?


De ander als veilige plaats én vertrekpunt

Onderzoek naar gehechtheid heeft voor dit verschijnsel een treffend beeld gevonden: de vertrouwde verzorger als secure base — een veilige basis.

Daarin zit een interessante dubbelheid.

Een basis is de plaats van waaruit je vertrekt.

Maar ook de plaats waarvan je weet dat zij er is.

Het kind gebruikt de ouder niet alleen om bescherming te zoeken wanneer iets spannend wordt. De beschikbaarheid van die ouder kan juist het vertrouwen ondersteunen waarmee het zich van hem verwijdert en de omgeving onderzoekt.

Daarmee verschijnt opnieuw een paradox die we ook bij het dragen tegenkwamen:

wat verbinding geeft, hoeft beweging niet tegen te houden; het kan beweging juist mogelijk maken.

Dat is belangrijk.

Want wanneer we verbondenheid vooral met nabijheid vereenzelvigen, kan afstand gemakkelijk als verlies worden ervaren.

De eerste schooldag.

Zelf naar een vriendje.

De deur van de slaapkamer die steeds vaker dichtgaat.

Een vakantie zonder ouders.

Het huis uit.

Steeds gebeurt iets wat op verwijdering lijkt.

Maar niet iedere verwijdering is relationele verwijdering.

Soms is afstand juist de ruimte waarin een andere vorm van verbondenheid kan ontstaan.


Wanneer nabijheid niet meer hetzelfde betekent

Daarmee keert de vraag uit het eerste essay terug, maar nu in een andere gedaante.

Wat op het ene moment nodig is, kan later iets anders gaan betekenen.

Een peuter die schrikt en naar zijn moeder rent, vraagt om iets anders dan een zestienjarige die na een moeilijke dag thuiskomt.

De peuter wil misschien opgetild worden.

De zestienjarige misschien juist even niet aangesproken.

Wie in beide gevallen nabij wil zijn, zal dus niet hetzelfde moeten doen.

Dat is lastiger dan het lijkt.

Want liefde heeft een geheugen.

Wat jarenlang werkte, wordt gemakkelijk vertrouwd. Een arm om een schouder. Een vraag stellen. Helpen. Adviseren. Even kijken of alles goed gaat.

Maar het kind dat verandert, verandert ook de betekenis van zulke handelingen.

Een vraag die ooit belangstelling betekende, kan later als controle worden ervaren.

Hulp kan bemoeienis worden.

Bescherming kan gaan knellen.

En afstand die een ouder als afwijzing ervaart, kan voor een jongere nodig zijn om iets eerst zelf te kunnen voelen of denken.

Niet omdat nabijheid verkeerd is geworden.

Maar omdat nabijheid opnieuw geleerd moet worden.


Verbondenheid zonder bezit

Hier raakt opvoeden aan iets wat veel verder reikt dan opvoeden.

We kunnen alleen werkelijk verbonden zijn met iemand die niet volledig van ons is.

Dat klinkt bijna vanzelfsprekend. Toch is het in de ouder-kindrelatie niet eenvoudig.

Een kind komt letterlijk uit een afhankelijkheid waarin bijna alles door anderen wordt gedragen. Zijn dagritme, voeding, veiligheid, verplaatsing en veel van zijn keuzes liggen aanvankelijk in handen van volwassenen.

De ouder kent het kind bovendien vaak op een manier waarop vrijwel niemand anders het kent.

Hij weet hoe het kijkt wanneer het moe wordt.

Waarvoor het bang is.

Welke woorden het vroeger verkeerd uitsprak.

Hoe het reageert wanneer het gekwetst is.

Dat opgebouwde kennen kan gemakkelijk het gevoel geven:

ik weet wie jij bent.

Maar ook kennen heeft grenzen.

Het kind ontwikkelt gedachten die het niet vertelt.

Vriendschappen waarin de ouder niet aanwezig is.

Voorkeuren die niet zijn overgenomen.

Ervaringen die alleen het kind zelf van binnenuit kent.

Langzaam verschijnt iemand die steeds duidelijker kan zeggen:

dit ben ik — en niet jij.

Dat hoeft geen breuk in verbondenheid te zijn.

Misschien wordt verbondenheid juist daar voor het eerst werkelijk op de proef gesteld.


Een ander tegenover mij

De filosoof Martin Buber maakte een beroemd onderscheid tussen twee fundamentele wijzen waarop mens en werkelijkheid zich tot elkaar kunnen verhouden.

We kunnen iets ontmoeten als een Het: iets dat we waarnemen, beschrijven, gebruiken, ordenen of proberen te begrijpen.

Maar een mens kan ons ook als een Gij tegemoetkomen: niet als object van onze kennis of bedoeling, maar als iemand die zelf spreekt en antwoordt.

Dat onderscheid moet niet te absoluut worden gemaakt. Natuurlijk moeten ouders hun kinderen ook observeren, begrijpen en soms beoordelen. Zonder dat zouden zij hun verantwoordelijkheid niet kunnen dragen.

Maar Buber bewaart iets wat in opvoeden gemakkelijk verloren kan gaan:

het kind dat ik probeer te begrijpen, blijft altijd méér dan mijn begrip van hem.

Dat geldt zelfs wanneer mijn waarneming meestal juist is.

Een ouder kan een verlegen kind kennen en toch op een dag ontdekken dat het iets doet wat niemand verwachtte.

Hij kan denken te weten welke opleiding past en een andere keuze horen.

Hij kan jarenlang een bepaalde kwetsbaarheid hebben beschermd en ontdekken dat het kind daar inmiddels anders mee omgaat dan hijzelf voor mogelijk hield.

Het kind kan ons verrassen.

Niet alleen omdat onze kennis tekortschiet.

Maar omdat een mens nooit volledig samenvalt met wat reeds over hem bekend is.


De verleiding van het beeld

Misschien is dat een van de subtielste moeilijkheden van opvoeden.

Ouders moeten beelden vormen.

Zonder beeld kun je nauwelijks handelen.

Dit kind heeft veel structuur nodig.

Zij trekt zich terug wanneer het te druk wordt.

Hij heeft tijd nodig voordat hij iets vertelt.

Zij kan meer aan dan ze zelf denkt.

Zulke beelden kunnen buitengewoon behulpzaam zijn. Ze helpen patronen herkennen en voorkomen dat iedere situatie opnieuw vanaf nul moet worden geïnterpreteerd.

Maar een behulpzaam beeld kan ongemerkt ook een grens worden.

Het kind dat voorzichtig was, wordt het voorzichtige kind.

Het kind dat slecht tegen verandering kon, wordt iemand die verandering niet aankan.

Het kind dat bescherming nodig had, blijft in onze waarneming degene die beschermd moet worden.

Dan gebeurt iets merkwaardigs.

Niet het kind stopt noodzakelijk met ontwikkelen.

Ons beeld van het kind stopt met ontwikkelen.

En vanaf dat moment kan juist onze vertrouwdheid verhinderen dat we zien wie er inmiddels tegenover ons staat.


Bereikbaar zonder binnen te dringen

Daarmee wordt verbondenheid opnieuw ingewikkelder.

Want wanneer het kind meer een eigen binnenwereld ontwikkelt, kan beschikbaarheid niet langer betekenen dat de ouder overal toegang toe heeft.

Een gesloten slaapkamerdeur kan een grens zijn.

Een dagboek ook.

Een gesprek dat een puber liever met een vriend voert dan met zijn vader of moeder eveneens.

Voor een ouder kan dat pijnlijk zijn.

Niet noodzakelijk omdat hij controle wil, maar omdat nabijheid jarenlang een vanzelfsprekende taal van liefde is geweest.

Wat gebeurt er met liefde wanneer toegang afneemt?

Misschien moet zij een nieuwe taal leren.

Niet:

ik moet weten wat er in jou gebeurt om er voor jou te kunnen zijn.

Maar:

ik kan beschikbaar blijven voor wat jij met mij wilt delen, zonder alles wat van jou is tot het mijne te maken.

Dat is een andere vorm van nabijheid.

Minder zichtbaar.

Misschien ook kwetsbaarder.

Want de ouder kan niet afdwingen dat de verbinding wordt gebruikt.

Hij kan bereikbaar zijn.

Maar het kind moet ook zelf kunnen komen.


Verbondenheid kan niet worden afgedwongen

Daarmee raakt opvoeden aan een vreemde grens.

Veel kan worden georganiseerd.

Een ouder kan bepalen hoe laat een jong kind naar bed gaat. Hij kan grenzen stellen, afspraken maken, een telefoon innemen, vervoer regelen, geld beschikbaar stellen of weigeren.

Maar hij kan geen echte verbondenheid bevelen.

Hij kan zeggen:

Praat met me.

Maar niet afdwingen dat het kind zich werkelijk opent.

Hij kan vragen:

Vertrouw je me dan niet?

Maar vertrouwen ontstaat niet doordat het geëist wordt.

Hij kan nabijheid organiseren.

Maar geen ontmoeting produceren.

Juist hier wordt zichtbaar dat een relatie iets anders is dan een systeem dat volledig bestuurbaar is.

Er blijft altijd iets wat niet gemaakt kan worden.

De ander moet antwoorden.

Of niet.

Dat maakt verbondenheid onzeker.

Maar misschien maakt precies dat haar werkelijk.


De kunst van bereikbaar blijven

Wanneer kinderen ouder worden, kan de beschikbaarheid van de ouder opnieuw van vorm veranderen.

Aanvankelijk bestaat zij vaak uit daadwerkelijk handelen: oppakken, voeden, troosten, beschermen.

Later kan beschikbaarheid veel stiller worden. Zij kan zichtbaar worden in luisteren zonder onmiddellijk advies te geven, in een vraag waarop het antwoord niet wordt afgedwongen, of in het verdragen van een verschil van mening zonder dat meteen de relatie zelf op het spel komt te staan.

Soms kan zij betekenen dat een ouder weet dat zijn kind iets zelf moet uitzoeken, terwijl hij tegelijk ziet dat dit pijn kan doen.

En soms bestaat zij eenvoudig in het laten merken:

ik ben er.

Niet als toezegging dat alles wordt opgelost.

Niet als claim op toegang.

Maar als continuïteit.

Misschien is dat een volwassen wordende vorm van ouderlijke verbondenheid: niet voortdurend aanwezig zijn in het leven van het kind, maar bereikbaar blijven zonder het leven van het kind te bezetten.


Van vasthouden naar terugkeer mogelijk maken

Daarmee kunnen we opnieuw kijken naar het kleine kind dat een paar passen wegloopt en zich omdraait.

Op het eerste gezicht lijkt het slechts te controleren of de ouder nog aanwezig is.

Maar in dat eenvoudige gebaar ligt misschien al iets van een veel groter patroon.

Het kind verwijdert zich.

De band wordt niet onmiddellijk verbroken.

Het kijkt terug.

En omdat er iets herkenbaars blijft, kan het opnieuw verder.

Later zal dat omkijken andere vormen aannemen.

Een vraag.

Een telefoontje.

Een onverwacht bezoek.

Een gesprek na maanden stilte.

Of alleen het weten dat er iemand is naar wie men terug kan keren.

Niet iedere ouder-kindrelatie zal die continuïteit behouden. Relaties kunnen beschadigd raken. Afstand kan noodzakelijk worden. Soms wordt juist het begrenzen van contact een manier om iets wezenlijks te beschermen.

Verbondenheid is daarom geen garantie en geen verplichting tot nabijheid.

Maar waar zij kan groeien, lijkt zij iets anders te zijn dan elkaar vasthouden.

Misschien is zij eerder het vermogen van een relatie om afstand te verdragen zonder de ander daarom kwijt te hoeven raken.

Daarmee verschijnt een andere vraag dan in het eerste essay.

Daar vroegen we hoe een ouder kan dragen zonder te blijven dragen wat het kind inmiddels zelf kan.

Nu wordt de vraag:

Hoe kan ik zo met jou verbonden zijn dat jij niet bij mij hoeft te blijven om te weten dat de verbinding bestaat?

Misschien begint vrijheid niet waar verbondenheid eindigt.

Misschien wordt juist in een voldoende veilige verbondenheid de ruimte geboren waarin iemand werkelijk van ons vandaan kan gaan — en een eigen leven kan leren leiden zonder daarvoor eerst de relatie te hoeven verbreken.


Bronnen en verdere verkenning

Wie de gedachtegang achter dit essay verder wil verkennen, kan onder meer terecht bij:

  • Martin Buber, Ich und Du (1923). Buber onderzoekt de ontmoeting waarin de ander niet wordt gereduceerd tot object van onze kennis, verwachtingen of bedoelingen, maar werkelijk als ander tegenover ons kan verschijnen.
  • John Bowlby, A Secure Base: Parent-Child Attachment and Healthy Human Development (1988). Bowlby's gehechtheidstheorie helpt verstaan hoe een betrouwbare verbondenheid juist een basis kan vormen van waaruit een kind zich kan verwijderen, onderzoeken en zelfstandiger worden.
  • Murray Bowen, Family Therapy in Clinical Practice (1978). Zijn begrip van differentiatie is relevant voor de vraag hoe iemand een eigen positie kan ontwikkelen zonder daarvoor de emotionele verbondenheid met anderen te hoeven verbreken.

De gedachtegang van dit essay brengt deze perspectieven samen rond één relationele vraag: hoe kan verbondenheid zo van vorm veranderen dat nabijheid niet tot vasthouden wordt en afstand niet tot verlatenheid?