Essay III — Wanneer de ander anders antwoordt
Er komt een moment waarop een kind niet alleen verder van zijn ouders vandaan gaat, maar ook iets anders gaat doen.
Niet wat zij hadden verwacht.
Niet wat zij hadden geadviseerd.
Misschien zelfs niet wat zij hadden gehoopt.
Het begint klein.
Een kind wil de kleren niet aan die zijn moeder heeft klaargelegd. Het weigert mee te doen aan een activiteit die zijn vader juist zorgvuldig voor hem had uitgezocht. Het vindt een vriend aardig van wie zijn ouders minder gecharmeerd zijn.
Later kunnen de verschillen groter worden.
Een schoolkeuze.
Een beroep.
Een partner.
Een manier van leven.
Een overtuiging.
Soms blijkt het kind dat jarenlang door zijn ouders werd gedragen uiteindelijk een richting te kiezen die zij zelf nooit gekozen zouden hebben.
Dan wordt zichtbaar dat opvoeden iets merkwaardigs voortbrengt.
Wie een kind helpt een eigen stem te ontwikkelen, loopt uiteindelijk het risico dat die stem iets anders zegt dan hijzelf.
Misschien is dat geen storing in de opvoeding.
Misschien hoort het bij haar bedoeling.
Een antwoord dat niet van mij is
In het vorige essay zagen we dat verbondenheid ruimte moet kunnen maken voor afstand.
Maar afstand is nog relatief eenvoudig zolang degene die weggaat ongeveer blijft denken en handelen zoals wijzelf.
Moeilijker wordt het wanneer verschil werkelijk verschil wordt.
Wanneer een kind zegt:
Ik wil dit niet.
Ik denk daar anders over.
Dit past niet bij mij.
Ik heb iets anders besloten.
Op zulke momenten wordt duidelijk dat antwoorden iets anders is dan reageren.
Een reactie kan min of meer worden voorzien. Wie op een knop drukt, verwacht dat er iets gebeurt.
Een antwoord komt van iemand.
Daarom kan het verrassen.
Het kan aansluiten bij wat wij hoopten.
Maar het kan er ook van afwijken.
Misschien ligt juist daarin iets wezenlijks van mens-zijn: dat de ander niet slechts teruggeeft wat wij erin hebben gelegd.
Opvoeden zonder een kopie te maken
Ouders geven onvermijdelijk veel door.
Taal.
Gewoonten.
Manieren van omgaan met anderen.
Verhalen over wat belangrijk is.
Opvattingen over goed en kwaad.
Geloof of ongeloof.
Verwachtingen over school, werk, relaties en verantwoordelijkheid.
Zelfs waar ouders bewust proberen hun kinderen vrij te laten, dragen zij iets over. Ook de manier waarop vrijheid wordt aangeboden, komt ergens vandaan.
Een kind groeit nooit op vanuit een leeg begin.
Het ontvangt een wereld.
Maar ontvangen is niet hetzelfde als kopiëren.
Het kind hoort woorden en gaat er eigen zinnen mee maken.
Het ontvangt gewoonten en ontdekt dat sommige passen en andere niet.
Het leert waarden kennen en zal op enig moment moeten ontdekken of en hoe het die waarden zelf kan dragen.
Daarmee ontstaat een spanning die iedere opvoeding vroeg of laat ontmoet:
hoe geef je iets werkelijk door zonder te eisen dat het in dezelfde vorm terugkomt?
Misschien is dat moeilijker dan niets doorgeven.
Want wie niets wil opleggen, kan proberen zich terug te trekken.
Maar wie iets kostbaars heeft ontvangen en het ook aan zijn kinderen wil meegeven, kan zich niet eenvoudig afzijdig houden.
Hij moet spreken.
Voorleven.
Begrenzen.
Uitleggen.
Soms ook corrigeren.
En toch kan hij uiteindelijk niet bepalen wat de ander met dat alles zal doen.
Wat wij doorgeven verandert onderweg
Dat geldt zelfs wanneer een kind veel van zijn ouders overneemt.
Een waarde als trouw kan in een volgende generatie anders worden beleefd.
Verantwoordelijkheid kan een andere praktische vorm krijgen.
Geloof kan dezelfde woorden bewaren en toch anders worden doorleefd.
Een beroep kan voortbouwen op wat thuis werd geleerd en tegelijk een richting inslaan die niemand had voorzien.
Overdracht lijkt daarom minder op het doorgeven van een voorwerp dan op iets wat, eenmaal ontvangen, een eigen geschiedenis krijgt.
Wat wordt ontvangen, komt terecht in een andere mens.
In een andere tijd.
Tussen andere mensen.
Onder andere omstandigheden.
Daar kan het verder vorm krijgen, veranderen, verdiepen, verschralen of soms verdwijnen.
Dat maakt opvoeding onzeker.
Maar misschien zou een overdracht waarin niets mocht veranderen uiteindelijk ook geen levende overdracht meer zijn.
Dan zou bewaren betekenen: hetzelfde houden.
Terwijl leven juist betekent dat iets alleen kan blijven bestaan door ook opnieuw gestalte te krijgen.
De pijn van verschil
Dat klinkt mooi zolang het over kleine verschillen gaat.
Maar niet ieder verschil is gemakkelijk te verdragen.
Sommige keuzes van een kind kunnen ouders werkelijk verdriet doen.
Niet alleen omdat zij hun zin niet krijgen.
Soms zien zij een gevaar dat het kind zelf nog niet ziet.
Soms vrezen zij dat een keuze schadelijke gevolgen zal hebben.
Soms raakt het verschil aan iets wat voor hen diep waardevol is.
En soms hebben zij gelijk.
Daarom kan respect voor eigenheid nooit betekenen dat iedere keuze even wijs, goed of onschadelijk is.
De ander als ander erkennen betekent niet dat wij ophouden te onderscheiden.
Een ouder kan zeggen:
Dit is jouw keuze.
En tegelijk:
Ik denk dat je je vergist.
Hij kan een volwassen kind liefhebben en toch niet instemmen met wat het doet.
Hij kan verbonden blijven zonder ieder verschil op te heffen.
Dat vraagt misschien een moeilijker vorm van liefde dan overeenstemming.
Want overeenstemming bevestigt ons.
Verschil stelt de relatie op de proef.
Wanneer zorg en controle op elkaar gaan lijken
Juist daar wordt het ingewikkeld.
Een ouder die gevaar ziet, wil ingrijpen.
Soms moet dat ook.
Bij een jong kind behoort begrenzen tot de verantwoordelijkheid van de ouder. Wie een peuter naar een drukke straat ziet lopen, begint geen gesprek over autonomie.
Maar naarmate het kind meer kan dragen, verandert ook hier de verhouding.
Dezelfde bezorgdheid kan dan verschillende vormen aannemen.
Waarschuwen.
Adviseren.
Vragen stellen.
Grenzen aangeven aan wat men zelf wil ondersteunen.
Of proberen de keuze van de ander alsnog te bepalen.
Van binnenuit kunnen die handelingen allemaal als liefde voelen.
Ik doe dit omdat ik om je geef.
En vaak is dat ook waar.
Maar liefde maakt een handeling niet automatisch passend.
Soms kan de wens iemand te beschermen zo sterk worden dat er nauwelijks nog ruimte overblijft voor diens eigen oordeel.
Dan raakt zorg aan controle.
Niet noodzakelijk omdat de liefde verdwenen is.
Misschien juist omdat zij bang is geworden.
De angst om de ander kwijt te raken
Achter controle ligt niet altijd machtsdrang.
Soms ligt er verliesangst.
Een kind dat anders gaat denken, kan voor een ouder voelen alsof er iets uit de gezamenlijke wereld verdwijnt.
Een kind dat een andere levensweg kiest, kan vragen oproepen die veel verder gaan dan die ene keuze.
Heb ik iets verkeerd gedaan?
Was wat wij hem meegaven dan niet belangrijk?
Herken ik mijn eigen kind nog?
Blijven we elkaar vinden?
Daarmee wordt verschil existentieel.
Niet alleen:
jij kiest anders.
Maar:
wat betekent jouw andere keuze voor wat er tussen ons bestaat?
Misschien ontstaat juist hier de verleiding om overeenstemming tot voorwaarde voor verbondenheid te maken.
Zolang jij ongeveer blijft wie ik dacht dat je zou worden, kan ik je gemakkelijk nabij blijven.
Maar wat gebeurt er wanneer jij werkelijk anders wordt?
De ander kan mij ook corrigeren
Tot nu toe hebben we vooral gekeken naar de ouder die moet leren ruimte maken voor het antwoord van het kind.
Maar wederkerigheid gaat verder.
Want soms heeft het kind niet alleen een andere mening.
Soms ziet het iets wat de ouder niet ziet.
Een volwassen dochter kan haar vader vertellen dat een bepaalde manier van vragen stellen voor haar als controle voelt.
Een zoon kan zeggen dat een grap die thuis altijd normaal was hem jarenlang heeft geraakt.
Een kind kan terugkijken op een gebeurtenis die de ouder nauwelijks heeft onthouden en zeggen:
Daar gebeurde voor mij iets belangrijks.
Dan ontstaat een ongemakkelijke situatie.
De ouder kent zijn bedoeling.
Het kind kent zijn ervaring.
Die twee hoeven niet samen te vallen.
Maar zo bedoelde ik het niet.
Dat kan volkomen waar zijn.
En toch is daarmee nog niet alles gezegd.
Want een relatie bestaat niet alleen uit wat wij bedoelen.
Zij bestaat ook uit wat onze handelingen bij de ander teweegbrengen.
Daarom kan het antwoord van een kind nieuwe informatie bevatten over de relatie waarin het is opgegroeid.
Soms zelfs informatie die de ouder liever niet had ontvangen.
Wederkerigheid zonder gelijkheid
Hier moeten we voorzichtig zijn.
Dat een kind zijn ouders kan beïnvloeden of corrigeren, betekent niet dat ouder en kind dezelfde verantwoordelijkheid dragen.
Een jong kind hoeft niet voor het emotionele welzijn van zijn ouders te zorgen.
Het hoeft geen evenwicht te herstellen dat volwassenen zelf hadden moeten bewaken.
En het hoeft ontvangen zorg niet onmiddellijk terug te betalen.
De verhouding is aanvankelijk fundamenteel asymmetrisch.
Toch betekent asymmetrie niet dat er maar één richting bestaat.
Een kind ontvangt.
Maar het geeft ook.
Een blik.
Vertrouwen.
Genegenheid.
Een tekening.
Een onverwachte vraag.
Later misschien hulp, aandacht, tegenspraak of zorg.
Niet als betaling van een schuld.
Maar omdat relaties waarin mensen werkelijk op elkaar betrokken zijn zelden volledig eenrichtingsverkeer blijven.
Hier heeft de Hongaars-Amerikaanse psychiater en familietherapeut Ivan Boszormenyi-Nagy iets belangrijks zichtbaar gemaakt.
Hij wees erop dat relaties niet alleen bestaan uit gevoelens of interacties, maar ook uit een geschiedenis van geven en ontvangen, zorg en verantwoordelijkheid, vertrouwen en rechtvaardigheid.
Dat maakt zijn perspectief voor opvoeding bijzonder interessant.
Want een kind ontvangt veel voordat het iets vergelijkbaars kan teruggeven.
Dat is geen tekort.
Het hoort bij de asymmetrie van het begin.
Maar juist binnen die asymmetrie ontstaat een relationele geschiedenis.
Wat wordt er eigenlijk teruggegeven?
Daarmee komen we bij een subtiele vraag.
Wanneer ouders jarenlang hebben gezorgd, mogen zij dan later iets terugverwachten?
In zekere zin lijkt dat vanzelfsprekend.
Dankbaarheid.
Belangstelling.
Misschien zorg wanneer zij oud worden.
Maar zodra zulke verwachtingen als rekening worden bijgehouden, verandert er iets.
Na alles wat wij voor jou gedaan hebben...
We herkennen onmiddellijk hoe zwaar zo’n zin kan worden.
Wat ooit als gave werd ontvangen, verschijnt ineens als schuld.
Toch zou het andere uiterste even vreemd zijn.
Alsof jarenlange zorg relationeel niets betekenen zodra het kind volwassen is.
Alsof ontvangen nooit een spoor achterlaat.
Misschien vraagt dat om een begrip dat niet eenvoudig samenvalt met schuld of terugbetaling: antwoordelijkheid.
Niet: terugbetalen wat exact ontvangen werd.
Wel: erkennen dat wij door anderen gedragen zijn en dat dit iets met onze verhouding tot hen en tot anderen kan doen.
Wat ontvangen wordt, hoeft niet in dezelfde richting terug te keren.
Een kind dat liefde heeft ontvangen, kan die later misschien doorgeven aan zijn eigen kinderen.
Aan een partner.
Aan vrienden.
Aan iemand die afhankelijk van hem wordt.
Zo bezien hoeft geven geen gesloten boekhouding tussen twee mensen te worden.
Het kan zich door relaties heen voortzetten.
Een erfenis die niet bezit
Daarmee verandert ook het beeld van wat ouders doorgeven.
Misschien is opvoeden niet geslaagd wanneer een kind onze woorden blijft herhalen.
Ook niet wanneer het precies het leven leidt dat wij voor hem hadden kunnen tekenen.
Misschien blijkt overdracht juist levend wanneer iets van wat ontvangen werd zó eigen kan worden dat het in een nieuwe vorm verdergaat.
Dan is continuïteit niet hetzelfde als herhaling.
En verschil niet hetzelfde als verwerping.
Een kind kan iets wezenlijks meenemen en toch anders worden.
Het kan zich van bepaalde vormen losmaken en pas later ontdekken wat daarin waardevol was.
Het kan ook werkelijk iets afwijzen wat ouders kostbaar vinden.
Daar bestaat geen garantie tegen.
Dat geldt voor woorden.
Voor waarden.
Voor geloof.
Voor liefde.
Misschien wordt juist daar zichtbaar wat geven ook betekent: dat wat de ander ontvangt niet volledig onder onze zeggenschap kan blijven.
Wanneer het antwoord openblijft
Aan het begin van dit essay zagen we een kind dat iets anders gaat doen dan zijn ouders verwachtten.
Misschien kunnen we daar nu anders naar kijken.
Het andere antwoord is niet noodzakelijk een breuk met wat werd ontvangen.
Het kan ook betekenen dat het ontvangen werkelijk door een ander mens heen is gegaan.
Dat het niet alleen is overgenomen, maar verwerkt.
Beantwoord.
Soms bevestigd.
Soms veranderd.
Soms tegengesproken.
Dat maakt opvoeden kwetsbaar.
Wie een kind leert spreken, kan niet bepalen wat het uiteindelijk zal zeggen.
Wie een kind leert denken, kan niet eisen dat het tot dezelfde conclusies komt.
Wie vertrouwen geeft, kan niet afdwingen dat iedere keuze verstandig zal zijn.
En wie liefheeft, krijgt geen garantie dat liefde altijd in de verwachte vorm wordt beantwoord.
Maar misschien ligt juist daar een grens die bij opvoeden hoort.
Niet alles wat wij geven, blijft van ons.
Niet ieder antwoord kunnen wij bepalen.
Niet ieder verschil kunnen wij oplossen.
De vraag wordt dan niet alleen:
Hoe krijg ik mijn kind zover dat het begrijpt wat ik belangrijk vind?
Maar ook:
Kan ik iets werkelijk doorgeven en tegelijk verdragen dat het, eenmaal ontvangen, in het leven van de ander een vorm krijgt die ik niet volledig kan bepalen?
Misschien blijkt opvoeden juist daar relationeel volwassen te worden.
Waar wij niet ophouden iets kostbaars door te geven.
Waar wij ook niet ophouden te onderscheiden tussen wat goed en schadelijk is.
Maar waar wij langzaam leren dat de ander alleen werkelijk kan antwoorden wanneer zijn antwoord niet bij voorbaat het onze hoeft te zijn.
Bronnen en verdere verkenning
Wie de gedachtegang achter dit essay verder wil verkennen, kan onder meer terecht bij:
- Ivan Boszormenyi-Nagy & Barbara R. Krasner, Between Give and Take: A Clinical Guide to Contextual Therapy(1986). Over de relationeel-ethische betekenis van geven en ontvangen, vertrouwen, verantwoordelijkheid en rechtvaardigheid binnen relaties.
- Ivan Boszormenyi-Nagy & Geraldine M. Spark, Invisible Loyalties: Reciprocity in Intergenerational Family Therapy (1973). Een verdere verkenning van loyaliteit, wederkerigheid en de wijze waarop de geschiedenis van relaties doorwerkt tussen generaties.
- Martin Buber, Ich und Du (1923). Ook voor dit essay blijft Bubers inzicht relevant dat werkelijke ontmoeting veronderstelt dat de ander niet volledig opgaat in ons beeld of onze verwachting van hem.
De term antwoordelijkheid wordt in dit essay gebruikt als een eigen relationele formulering voor het vermogen zich te verhouden tot wat men van anderen heeft ontvangen, zonder dit te reduceren tot schuld of terugbetaling. Ook de gedachte dat wat wij ontvangen in andere relaties een nieuwe vorm kan krijgen, is een verdere doordenking binnen deze essayreeks en wordt hier niet als begrip van Boszormenyi-Nagy gebruikt.