Proloog — Wat er tussen ons groeit

Deel

Over opvoeden als relationeel gebeuren


Zelf doen.

Het meisje trekt haar voet terug voordat haar vader haar veter kan strikken.

Hij kent dit.

Nog niet zo lang geleden stak ze haar voet gewoon naar hem uit.

Hij maakte de knoop.

Eerst de ene schoen.

Dan de andere.

Klaar.

Maar nu wil ze het zelf.

Ze buigt zich voorover.

Pakt de veters vast.

Denkt na.

De eerste poging mislukt.

De lus schiet los.

Haar vader ziet wat er fout gaat.

Hij zou het kunnen voordoen.

Of gewoon even overnemen.

Dan waren ze sneller klaar.

Maar hij wacht.

Nog een keer.

Nu blijft de knoop zitten.

Niet helemaal zoals hij hem zou hebben gemaakt.

Een wat grote lus aan de ene kant.

Een korte aan de andere.

Maar hij zit.

Gelukt, zegt ze.

Haar vader kijkt naar de schoen.

Ja.

Een klein moment.

Nauwelijks de moeite waard om te onthouden.

En toch gebeurt hier iets wat bij opvoeden telkens terugkeert.

Wat gisteren goede zorg was — het voor haar doen — zou vandaag zomaar in de weg kunnen komen te staan van iets wat zij zelf moet leren.

Niet omdat zijn zorg minder is geworden.

Maar omdat zij groeit.

En wanneer een kind groeit, moet ook zorg leren veranderen.


Een relatie die meegroeit

We spreken gemakkelijk over de ontwikkeling van een kind.

Een baby wordt peuter.

Een peuter wordt schoolkind.

Een schoolkind adolescent.

Een adolescent wordt volwassen.

We letten op wat een kind leert.

Lopen.

Praten.

Lezen.

Kiezen.

Verantwoordelijkheid dragen.

We zien hoe het steeds meer zelf kan.

Maar terwijl een kind verandert, gebeurt er nog iets.

Ook de relatie met zijn ouders verandert.

Wat eerst nodig was, kan later te veel worden.

Wat eerst bescherming bood, kan op een ander moment als beperking worden ervaren.

Wat ooit vanzelfsprekend voor het kind werd beslist, vraagt later overleg.

En wat aanvankelijk door de ouder werd gedragen, zal steeds meer door het kind zelf gedragen moeten worden.

Een ouder-kindrelatie kan daarom niet eenvoudig dezelfde blijven terwijl het kind verandert.

Wie een groeiend kind op dezelfde manier blijft vasthouden, houdt op den duur niet alleen het kind vast, maar ook een vroegere vorm van de relatie.

Misschien ligt daar een van de moeilijkste opgaven van opvoeden.

Niet alleen zien dát een kind groeit.

Maar herkennen wat die groei van de relatie vraagt.


Een veranderende verantwoordelijkheid

Een pasgeboren kind kan nauwelijks iets zelf.

Het kan niet voor voedsel zorgen.

Geen gevaar inschatten.

Geen dagritme organiseren.

Geen verantwoordelijkheid dragen voor de wereld waarin het terechtgekomen is.

De asymmetrie kan bijna niet groter zijn.

De volwassene draagt.

Het kind wordt gedragen.

Maar zo blijft het niet.

Het kind gaat lopen.

Spreken.

Kiezen.

Grenzen onderzoeken.

Een eigen wil ontwikkelen.

Het leert rekening houden met anderen.

Gevolgen overzien.

Verantwoordelijkheid dragen.

Langzaam verschuift er iets.

Niet doordat ouderlijke verantwoordelijkheid eenvoudigweg steeds minder wordt, maar doordat zij van vorm verandert.

Wat eerst vóór het kind werd gedaan, kan later mét het kind worden gedaan.

Wat eerst werd beslist, kan later worden besproken.

Wat eerst werd voorkomen, moet soms worden toegestaan omdat een kind ook van gevolgen moet leren.

En wat een ouder ooit vanzelfsprekend droeg, moet hij op enig moment uit handen durven geven.

Dat gebeurt niet op één dag.

Er bestaat geen ochtend waarop een kind wakker wordt en de verantwoordelijkheid ineens netjes opnieuw verdeeld is.

De grens verschuift voortdurend.

Soms te langzaam.

Soms te snel.

Soms merkt een ouder pas achteraf dat hij iets nog vasthield wat zijn kind inmiddels zelf kon dragen.

Of dat hij iets losliet waarvoor het kind nog niet klaar was.

Opvoeden is daarom niet het geleidelijk opheffen van verantwoordelijkheid.

Het is misschien eerder het telkens opnieuw leren onderscheiden welke verantwoordelijkheid waar thuishoort.


Niet alleen het kind verandert

Toch zou zelfs dat nog een te eenvoudige beschrijving zijn.

Want opvoeden loopt niet slechts in één richting.

Een ouder vormt een kind.

Maar een kind doet ook iets met zijn ouder.

Het roept zorg op.

Vreugde.

Trots.

Angst.

Onzekerheid.

Irritatie soms.

Verwondering.

Het stelt vragen waarop een ouder zelf het antwoord niet weet.

Het kan grenzen raken waarvan hij niet wist dat hij ze had.

Het kan hem confronteren met zijn eigen verwachtingen.

Met zijn ongeduld.

Met zijn behoefte aan controle.

Maar ook met een vermogen tot zachtheid waarvan hij misschien niet wist dat het in hem aanwezig was.

Een kind kan een ouder iets leren over zichzelf wat hij zonder dat kind nooit op dezelfde manier had leren kennen.

Dat maakt ouder en kind niet gelijk.

De verantwoordelijkheid blijft verschillend.

De afhankelijkheid is verschillend.

De positie is verschillend.

Maar verschil in verantwoordelijkheid betekent niet dat beïnvloeding maar één kant op gaat.

Een kind wordt gevormd in relatie tot zijn ouders. Maar ouders blijven evenmin onveranderd in relatie tot hun kind.

Misschien is opvoeden daarom niet alleen een proces waarin een kind opgroeit.

Er groeien twee mensen.

Niet op dezelfde manier.

Niet met dezelfde verantwoordelijkheid.

Maar wel in een relatie waarin geen van beiden volledig buiten het bereik van de ander blijft.


Wat er tussen ons ontstaat

Daarmee verschijnt nog iets anders.

Er is een ouder.

Er is een kind.

Maar na verloop van tijd is er ook een geschiedenis tussen hen.

Een manier van kijken.

Van vragen.

Van zwijgen.

Van ruzie maken.

Van weer goedmaken.

Er ontstaan grapjes die niemand buiten het gezin begrijpt.

Woorden waaraan een halve zin genoeg is.

Blikken die geruststellen.

Maar soms ook stiltes die beladen raken.

Vragen waarvan het kind al denkt te weten welk antwoord de ouder wil horen.

Of reacties waarvan de ouder inmiddels verwacht dat ze toch weer zullen komen.

Zo ontstaat er iets wat niet volledig van de een en ook niet volledig van de ander is.

Iets tussen hen.

Vertrouwen kan daar groeien.

Vrijheid.

Veiligheid.

Maar ook spanning.

Terughoudendheid.

Verwachtingen.

Gewoonten.

Soms zelfs patronen waarin mensen telkens opnieuw dezelfde beweging maken zonder dat iemand ooit heeft besloten dat het zo moest gaan.

Misschien moeten we daarom bij opvoeden leren kijken naar drie werkelijkheden:

jij,

ik,

en wat er tussen ons ontstaat.

Die derde werkelijkheid is gemakkelijk over het hoofd te zien.

Juist omdat wij er zelf middenin staan.


Goede bedoelingen zijn niet genoeg

De meeste ouders willen het goede voor hun kind.

Ze willen beschermen.

Helpen.

Waarschuwen.

Grenzen stellen.

Ruimte geven.

Voorbereiden op een leven waarin zij niet altijd naast hun kind zullen staan.

Die bedoeling doet ertoe.

Maar zij vertelt nog niet het hele verhaal.

Want dezelfde handeling kan in verschillende omstandigheden iets anders doen.

Een waarschuwing kan beschermen.

Maar ook als wantrouwen worden ervaren.

Hulp kan een kind dragen.

Maar ook iets overnemen wat het zelf zou moeten leren.

Een grens kan veiligheid geven.

Maar ook te strak worden.

Loslaten kan vrijheid bieden.

Maar ook te vroeg komen.

Zelfs liefde ontslaat ons daarom niet van de vraag hoe onze manier van liefhebben in de relatie werkzaam wordt.

Niet alleen:

Wat bedoel ik met wat ik doe?

Maar ook:

Wat doet mijn handelen tussen ons?

Dat is een moeilijker vraag.

Want de eerste kunnen we grotendeels zelf beantwoorden.

Voor de tweede hebben we ook de ander nodig.


Geen receptenboek

Wie over opvoeden schrijft, loopt gemakkelijk het risico regels te gaan geven.

Doe dit.

Vermijd dat.

Geef duidelijke grenzen.

Laat voldoende los.

Luister goed.

Wees consequent.

Geef ruimte.

Allemaal kan het waar zijn.

En toch zegt het nog weinig over wat een concrete situatie vraagt.

Want soms vraagt liefde om nabijheid.

En soms om afstand.

Soms moet een ouder spreken.

Soms eerst luisteren.

Soms moet hij ingrijpen.

Soms juist verdragen dat een kind iets op zijn eigen manier probeert en daarin misschien zelfs faalt.

Er bestaat geen formule die vooraf alle omstandigheden kan bevatten.

Daarom wil deze reeks geen receptenboek zijn.

Zij probeert iets anders.

Beter leren waarnemen wat er tussen ouder en kind gebeurt.

Niet om verantwoordelijkheid vaag te maken.

Juist om haar nauwkeuriger te kunnen onderscheiden.

Niet om grenzen op te heffen.

Maar om beter te zien wanneer een grens beschermt en wanneer zij vooral onze eigen onzekerheid probeert te bezweren.

Niet om iedere reactie van een kind tot waarheid te verheffen.

Maar om te erkennen dat ook die reactie informatie bevat over de relatie waarvan wij zelf deel uitmaken.

Misschien begint zorgvuldig opvoeden daarom niet altijd met weten wat we moeten doen.

Soms begint het met beter zien.


Midden in wat wij proberen te begrijpen

Dat kijken heeft een bijzondere moeilijkheid.

Een ouder kijkt niet van buiten naar zijn relatie met een kind.

Hij staat er middenin.

Als zijn dochter boos wordt, doet die boosheid iets met hem.

Misschien wordt hij zelf boos.

Of onzeker.

Misschien voelt hij zich afgewezen.

Of niet serieus genomen.

Zijn reactie doet vervolgens iets met haar.

Waarop zij opnieuw reageert.

En terwijl dit alles gebeurt, probeert hij te begrijpen wat er aan de hand is.

Dat maakt relationeel kijken lastig.

Wij zijn zelf onderdeel van wat wij waarnemen.

Daarom is soms niet alleen de vraag nodig:

Wat gebeurt er met mijn kind?

Maar ook:

Wat gebeurt er tussen ons?

En nog een stap verder:

Wat gebeurt er in mij terwijl ik probeer te begrijpen wat er tussen ons gebeurt?

Misschien ligt daar een van de meest onderschatte vormen van ouderlijke verantwoordelijkheid.

Niet alleen het kind leren kennen.

Maar ook leren herkennen wat het kind in ons oproept — en wat wij vervolgens met die beweging doen.


Van vormen naar ontmoeten

Bij een klein kind is vormen onvermijdelijk.

Ouders leren woorden.

Gewoonten.

Grenzen.

Manieren om met anderen om te gaan.

Ze dragen waarden over.

Vertellen wat goed en verkeerd is.

Sturen.

Corrigeren.

Beschermen.

Maar ergens onderweg verschijnt steeds duidelijker iemand die niet eenvoudig het product van die opvoeding is.

Een eigen persoon.

Met eigen gedachten.

Eigen voorkeuren.

Eigen vriendschappen.

Eigen vragen.

Een eigen geweten.

Misschien ook met overtuigingen die zijn ouders niet delen.

Dat kan een vreemd moment zijn.

De ouder herkent veel.

En tegelijk verschijnt er iets wat niet van hem is.

Dan verandert opnieuw de relationele opgave.

Niet alleen:

Hoe help ik jou worden?

Maar steeds meer:

Kan ik degene ontmoeten die jij aan het worden bent?

Dat vraagt iets anders van liefde.

Want ontmoeten betekent dat de ander werkelijk ander mag zijn.

Niet onbegrensd.

Niet zonder verantwoordelijkheid.

Maar ook niet volledig geschreven naar het beeld dat wij voor hem hadden.

Misschien is dat wel een van de stille paradoxen van opvoeden.

We proberen een kind zo goed mogelijk voor te bereiden op een leven dat uiteindelijk niet het onze zal zijn.


De kwetsbaarheid van loslaten

Daarom behoort onzekerheid onvermijdelijk bij opvoeden.

We weten niet precies wie een kind zal worden.

Welke keuzes het later zal maken.

Welke mensen belangrijk voor hem zullen zijn.

Welke overtuigingen het zal vasthouden.

Welke het zal loslaten.

Welke fouten het zal maken.

Welke pijn wij het niet zullen kunnen besparen.

Dat is moeilijk.

Want zorgen voor iemand wekt bijna vanzelf het verlangen hem voor het verkeerde te behoeden.

En zolang een kind klein is, behoort veel van dat behoeden ook werkelijk tot onze taak.

Maar wie een kind helpt zelfstandig te worden, werkt uiteindelijk mee aan het ontstaan van iemand wiens leven steeds minder door hem kan worden bestuurd.

Dat kan voelen als verlies van grip.

Misschien soms zelfs als verlies van nabijheid.

Toch hoeft het dat niet te zijn.

Een wezenlijke opgave van opvoeden is daarom niet een kind zo goed mogelijk aan ons verbonden te houden, maar het zo te helpen groeien dat verbondenheid steeds minder afhankelijk hoeft te zijn van onze controle.

Dat is geen pleidooi voor afstand.

Het is een andere manier om naar nabijheid te kijken.

Niet als iets wat behouden moet worden door de ander dichtbij te houden.

Maar als iets wat misschien juist sterker kan worden wanneer de ander vrijer tegenover ons kan staan.


Ook wanneer het misgaat

Geen enkele ouder doet dit volmaakt.

Geen enkel kind evenmin.

Er zullen momenten zijn waarop zorg te veel gaat vasthouden.

Waarop verschil strijd wordt.

Waarop angst luider spreekt dan vertrouwen.

Waarop een ouder iets zegt wat hij later betreurt.

Waarop een kind zich terugtrekt.

Waarop mensen elkaar niet bereiken.

Soms ontstaan patronen die zichzelf lijken te versterken.

Soms blijven woorden langer liggen dan degene die ze uitsprak beseft.

Ook dat behoort tot de werkelijkheid van relaties.

Daarom kan een reeks over opvoeden niet alleen gaan over hoe relaties groeien.

Zij moet ook durven kijken naar wat er gebeurt wanneer ze onder druk komen te staan.

Naar verstarring.

Naar beschadiging.

Naar verantwoordelijkheid.

En naar de vraag of wat tussen mensen gebroken is opnieuw een andere vorm kan krijgen.

Niet alles kan worden voorkomen.

Niet alles kan worden hersteld.

Maar ook wat misgaat kan ons iets leren zien over wat een relatie nodig heeft.


Zelf doen

Het meisje zit nog steeds met haar voet voor zich.

De veter zit vast.

Niet prachtig.

Maar vast.

Haar vader had het sneller gekund.

Netter ook.

Misschien had hij zelfs kunnen voorkomen dat ze zich onderweg ergerde toen het twee keer mislukte.

Maar dan was er iets anders niet gebeurd.

Zij had het niet zelf gedaan.

Morgen vraagt ze misschien opnieuw om hulp.

Of zit de knoop zo vast dat hij hem alsnog moet losmaken.

Groei verloopt zelden in een rechte lijn.

Maar vandaag was er een klein moment waarop zorg iets anders vroeg dan gisteren.

Niet doen.

Wachten.

Kijken.

Beschikbaar blijven.

En ruimte laten voor dat ene kleine zinnetje:

Gelukt.

Misschien is dat wat ouders telkens opnieuw moeten leren.

Niet minder zorgen wanneer een kind groeit.

Anders zorgen.

Niet verdwijnen.

Niet vasthouden.

Niet doen alsof verantwoordelijkheid er niet meer toe doet.

Maar aandachtig blijven voor de vraag welke vorm liefde vandaag nodig heeft.

Want een kind groeit niet doordat wij ophouden voor hem te zorgen.

Het groeit mede doordat onze zorg leert veranderen.