Wanneer werkelijkheid en betekenis elkaar raken -5

Deel

Een reeks overdenkingen over Hermeneutiek

Soms wordt een vraag pas scherp wanneer zij niet langer abstract blijft, maar een gezicht krijgt. Wanneer het niet meer gaat over wat in algemene zin mogelijk of toegestaan is, maar over een concrete situatie die zich niet laat wegdenken.

Loonstra beschrijft zo’n situatie. Een vrouw leeft jarenlang in een huwelijk dat naar buiten toe misschien nog intact lijkt, maar waarin zich achter de voordeur een andere werkelijkheid heeft gevormd. Angst, vernedering en geweld hebben hun plaats ingenomen. Wat ooit begon als een verbond van liefde en trouw, is gaandeweg veranderd in een omgeving waarin veiligheid ontbreekt en vertrouwen is verdwenen.

De spanning met de woorden van Jezus is hier onmiskenbaar. Wat God verbonden heeft, mag een mens niet scheiden. Maar wat als datgene wat verbonden is, zich in de werkelijkheid niet meer toont als een plaats van eenheid en toewending?

De vraag dringt zich dan bijna vanzelf op: mag zij gaan?

Het is een begrijpelijke vraag. En toch is het mogelijk dat zij niet de eerste vraag is die gesteld moet worden.

Misschien ligt de beslissende vraag niet in wat hier geoorloofd is, maar in wat hier gaande is.

Wat zien we wanneer we deze situatie niet allereerst juridisch, maar werkelijk bezien? Is hier nog sprake van een huwelijk in de zin waarin de Schrift daarover spreekt — als een werkelijkheid van wederkerigheid, bescherming en verbondenheid? Of zien we een relatie waarin die werkelijkheid structureel is aangetast, en misschien zelfs verdwenen?

Wanneer geweld, angst en vernedering het patroon bepalen, wordt niet alleen een grens overschreden, maar wordt de aard van de relatie zelf aangetast. Wat bedoeld is als plaats van veiligheid, wordt een bron van onveiligheid. Wat gegeven is als ruimte van toewending, wordt een plaats van terugtrekking en vrees.

In zo’n situatie kan het zijn dat de vraag niet langer is of een huwelijk beëindigd mag worden, maar of datgene wat beëindigd wordt, in wezen nog bestaat.

Dat is geen lichte constatering. Zij vraagt om grote voorzichtigheid en om onderscheid. Maar zij opent wel een ander perspectief. Niet de mens die het huwelijk verbreekt, maar een werkelijkheid die het huwelijk al heeft tegengesproken.

Tegenover deze situatie staat een andere, die op het eerste gezicht minder schrijnend lijkt, maar niet minder herkenbaar is.

Een man en een vrouw zijn al jaren samen. Er is geen sprake van geweld, geen grote conflicten, geen zichtbare breuk. En toch is er iets verdwenen. Gesprekken zijn oppervlakkig geworden, betrokkenheid is afgenomen, en waar ooit nabijheid was, is nu afstand. Op een gegeven moment wordt het uitgesproken: “Ik weet niet of ik nog van je hou.”

Ook hier ontstaat spanning. Niet tussen geweld en gebod, maar tussen ervaring en belofte. Het gevoel zegt dat de verbinding verdwenen is. De werkelijkheid lijkt leeg geworden.

Ook hier kan de vraag gesteld worden: heeft het nog zin om door te gaan?

Maar wanneer we deze situatie bezien in het licht van wat een huwelijk is, ontstaat een ander beeld. Want ondanks de leegte die ervaren wordt, is de structuur van de relatie niet vernietigd. Er is nog aanspreekbaarheid, nog verantwoordelijkheid, nog de mogelijkheid om zich tot elkaar te verhouden.

Wat ontbreekt, is niet de werkelijkheid van het huwelijk zelf, maar de ervaring ervan.

Daarmee verandert ook de aard van de vraag. Niet: mag dit beëindigd worden? Maar: wat vraagt deze werkelijkheid? Is hier sprake van een einde, of juist van een roep tot herstel?

Het verschil tussen deze twee situaties is wezenlijk.

In het eerste geval lijkt de werkelijkheid van het huwelijk zelf te zijn aangetast. In het tweede geval lijkt zij aanwezig te zijn, maar verzwakt of verwaarloosd. In beide gevallen is er spanning, maar de aard van die spanning is verschillend.

En juist dat verschil is beslissend voor het verstaan.

Niet elke spanning wijst op het einde van een werkelijkheid. Soms wijst zij juist op de roep om die werkelijkheid opnieuw te zoeken. Maar er zijn ook situaties waarin de spanning zichtbaar maakt dat datgene waar de tekst naar verwijst, feitelijk al is ontwricht.

Wanneer wij die twee niet onderscheiden, ontstaat verwarring.

Dan wordt het gevaarlijk eenvoudig om elke vorm van vervreemding te zien als rechtvaardiging voor beëindiging, of om elke vorm van gebrokenheid te dwingen binnen een vorm die haar inhoud verloren heeft. In beide gevallen doen wij geen recht aan wat er werkelijk gaande is.

Misschien vraagt verstaan daarom niet in de eerste plaats om het formuleren van regels, maar om het leren onderscheiden van werkelijkheid. Om het zien van wat er is — en van wat er niet meer is.

Daarin blijft de tekst niet buiten beeld. Integendeel. Zij helpt ons juist om te zien wat wij anders misschien zouden missen. Niet door ons een lijst van uitzonderingen te geven, maar door ons te wijzen op de aard van de werkelijkheid waar zij over spreekt.

Waar die werkelijkheid aanwezig is, roept zij tot trouw. Waar zij wordt aangetast, roept zij tot bescherming. En waar zij wordt ontkend, kan het zijn dat wij onder ogen moeten zien dat wat bedoeld was, niet meer in die vorm bestaat.

Dat vraagt om voorzichtigheid, om wijsheid en om verantwoordelijkheid. Maar bovenal vraagt het om een houding waarin wij bereid zijn te luisteren — niet alleen naar onze vragen, maar ook naar wat zich aandient in de werkelijkheid en in de tekst die haar duidt.

Want misschien ligt verstaan niet in het vinden van een antwoord dat past, maar in het leren zien van wat waar is.

En waar werkelijkheid en betekenis elkaar raken, kan dat zicht zich openen.

Lees meer