Wanneer alles een crisis wordt
Over crisisdenken en het verlies van vertrouwen in de werkelijkheid
In het publieke debat van onze tijd lijkt het woord crisis bijna vanzelfsprekend geworden. Klimaatcrisis, stikstofcrisis, gezondheidscrisis, biodiversiteitscrisis – het zijn termen die inmiddels zo vertrouwd klinken dat we nauwelijks nog stilstaan bij hun betekenis. Het woord suggereert urgentie, gevaar en de noodzaak van snelle ingrepen. Wie het gebruikt, wekt de indruk dat uitstel gelijkstaat aan onverantwoordelijkheid.
Toch roept deze permanente aanwezigheid van crises een vraag op die zelden gesteld wordt: hoe verhouden deze dreigingen zich tot de werkelijkheid zelf?
In zijn boek Vertrouwd met de werkelijkheid onderzoekt chemicus en wetenschapfilosoof Jaap C. Hanekamp deze vraag vanuit een opmerkelijk perspectief. Zijn uitgangspunt is niet dat risico’s onbelangrijk zijn of dat problemen niet bestaan. Zijn vraag is subtieler en daarom ook fundamenteler: waarom zijn moderne samenlevingen zo gevoelig geworden voor het idee van dreiging?
Volgens Hanekamp heeft zich in de afgelopen decennia een verschuiving voltrokken in de manier waarop we over risico denken. Waar risico vroeger werd gezien als een onvermijdelijk onderdeel van het leven, wordt het tegenwoordig steeds vaker opgevat als iets dat volledig beheersbaar zou moeten zijn. Elk potentieel gevaar wordt zo een probleem dat opgelost moet worden, en elke onzekerheid een aanleiding voor beleid.
In dat proces ontstaat een merkwaardige paradox. Hoe meer kennis en technologie een samenleving bezit, hoe gevoeliger zij lijkt te worden voor hypothetische risico’s. De werkelijkheid wordt niet langer alleen beoordeeld op basis van wat daadwerkelijk gebeurt, maar steeds vaker op basis van wat zou kunnen gebeuren.
Zo verschuift de aandacht van het concrete naar het mogelijke.
Deze verschuiving heeft nog een ander effect dat minder vaak wordt opgemerkt. Wanneer een verschijnsel eenmaal als crisis wordt benoemd, verandert de structuur van het debat. De vraag of er werkelijk sprake is van een crisis wordt dan vaak minder belangrijk dan de vraag welke maatregelen nodig zijn om haar te bestrijden.
Het begrip crisis fungeert zo niet alleen als beschrijving van een situatie, maar ook als een interpretatiekader. Het vormt een verhaal waarin bepaalde ontwikkelingen als bedreigend verschijnen en waarin bepaalde reacties vanzelfsprekend worden.
Hier raken we aan een onderscheid dat in onze tijd steeds belangrijker wordt: het verschil tussen de werkelijkheid en het narratief waarmee wij haar beschrijven.
Narratieven zijn onvermijdelijk. Mensen begrijpen de wereld nu eenmaal via verhalen, modellen en interpretaties. Maar wanneer het narratief belangrijker wordt dan de werkelijkheid waarop het betrekking heeft, ontstaat er een subtiele maar ingrijpende verschuiving. Dan wordt niet langer de werkelijkheid het vertrekpunt van het denken, maar het verhaal dat we over die werkelijkheid vertellen.
Crisisdenken kan in dat opzicht worden opgevat als een bijzonder krachtig narratief. Het organiseert onze aandacht rond dreiging en kwetsbaarheid en suggereert dat de werkelijkheid voortdurend op het punt staat te ontsporen. Wie dat narratief eenmaal heeft aanvaard, zal overal signalen zien die het bevestigen.
Het boek van Hanekamp vormt in dat opzicht een pleidooi voor iets dat in moderne samenlevingen zeldzaam is geworden: vertrouwen in de robuustheid van de werkelijkheid.
Dat vertrouwen betekent niet dat risico’s genegeerd moeten worden. Integendeel. Een volwassen omgang met risico vraagt juist om een scherp onderscheid tussen reële dreiging en theoretische mogelijkheid, tussen meetbare effecten en speculatieve projecties.
Maar precies dat onderscheid wordt moeilijk wanneer een samenleving gewend raakt om elke onzekerheid als een crisis te interpreteren.
Misschien ligt daar wel een van de paradoxen van onze tijd. In een cultuur die steeds meer kennis en technische mogelijkheden bezit, groeit tegelijkertijd de neiging om de werkelijkheid zelf te wantrouwen.
En wie de werkelijkheid niet meer vertrouwt, zal uiteindelijk steeds meer proberen haar te beheersen.
Het is daarom geen kleine vraag hoe wij over risico spreken. In de manier waarop een samenleving haar gevaren benoemt, wordt zichtbaar hoe zij de werkelijkheid begrijpt — of hoe ver zij zich daarvan heeft verwijderd.
Misschien begint herstel van realiteitszin niet met nieuwe modellen of strengere maatregelen, maar met iets dat in onze tijd bijna ongebruikelijk is geworden: het vermogen om de werkelijkheid weer te vertrouwen.